Montage


<< Vorige | Volgende >>

Enkele vuistregels bij het monteren.

1. Een film is een opeenvolging van beelden met een bepaald tijdsverloop. Een beeld krijgt pas zijn betekenis in het geheel. De montage van een beeld is daarom altijd afhankelijk van zowel het beeld wat ervoor komt als wat erna komt. Het is dus heel belangrijk elk beeld te bekijken in zijn geheel.

2. Een 'goede' montage is 'onzichtbaar'. We willen hiermee zeggen dat de kijker niet afgeleid mag worden door de opeenvolging van de beelden.(tenzij dit voor artistieke redenen anders is bedoeld). Men noemt dit de continuïteitsmontage. Typisch begint zo'n montage met een ruim, algemeen beeld waarin alles gesitueerd wordt (bv. het bureau waar een interview plaatsvindt), en zal daarna overgaan naar beelden die closer zijn (bv. een Close Up van de geïnterviewde), rekening houdend met de camera-as (zie Beeld).

3. De lengte van een shot hangt af van het soort opname en wat je met die sequentie wil bereiken. Een richtlijn is echter dat je een Long Shot zo'n 6 seconden aanhoudt, terwijl je een Close Up beperkt tot 3 à 4 seconden.

4. Elke beeldovergang moet door de kijker als niet-storend ervaren worden: twee beelden of geluid aan elkaar plakken, levert een harde las of cut op. Dit is zeker niet storend. Bijna alle tv-programma's zijn zo gemonteerd. Een montage wordt storende wanneer
 de montage een 'springend' beeld oplevert.
 een beweging (zoom, pan, tilt) onderbroken wordt door een andere beweging.
 een harde las - waarbij bij een beeldovergang ook een harde verandering in het geluidsniveau plaats vindt- wordt gemonteerd (tenzij een schrikeffect wordt beoogd!).

Slechte montage met springers
Formaat: Quicktime (Download plugin)
Goede montage 'geen springers' 
 Formaat: Quicktime (Download plugin)

5. Een harde las kan vaak 'versoepeld' worden door het geluid van het tweede shot al te laten beginnen onder het eerste shot. Nu de geluidslas al is geweest zorgt de continuïteit van het geluid dat de harde beeldovergang makkelijker geaccepteerd wordt.

6. Een overvloeier (bv. dissolve of crossfade) pas je toe als je een rustige, waardige, poëtische overgang wilt. Ook te gebruiken voor een nadrukkelijke overgang van plaats en/of tijd. Verder zijn er tientallen beeld- en geluidseffecten, die met een beetje goede wil functioneel gebruikt kunnen worden. Beheersing is hier het sleutelwoord. In ieder geval kost het veel tijd om uit te vinden hoe ze werken. Daarnaast vraagt de computer meestal veel rekentijd (renderen) om die effecten tot stand te brengen.

7. Een 'fade in' en 'fade out' zijn ook heel gebruikelijk: het programma begint in zwart/stilte en vloeit naar het eerste beeld/geluid en eindigt met een overvloeier van beeld naar zwart.

8. Als je een montageprogramma gebruikt met voldoende klanksporen, is het aangeraden de klanken per soort op aparte sporen te monteren. Opgepast: Stemmen lipsynchroon bijvoegen bij een spreker (dubben) is een zéér moeilijk en tijdrovend procedé dat nooit tot goede resultaten leidt. (Bereid je opnames goed voor, ken je teksten).

9. In verband met het gebruik van tekst: zet niet teveel tekst op een video pagina. Lezen werkt erg vertragend in een videofilm. Stelregel voor video is maximaal 35 karakters op een regel. Bij video weergegeven op het computerscherm wordt het beperkt tot 25. Let ook op het soort lettertype, de grootte en de kleur die je gebruikt. Neem geen te fijn (rafelachtig) lettertype. Minimale grootte is 25, meest gebruikte grootte is 32-36. Beperk je tot zwart/wit tinten en voorzie de tekst van een schaduw om de leesbaarheid te vergroten. Let er ook op dat je binnen de safe area van je beeld blijft, om er zeker van te zijn dat bij het bekijken van je materiaal op een TV er geen informatie verloren gaat. Een tekst blijft min. 4 seconden en maximaal 7 seconden in beeld.
Voor het gebruik van ondertitels raden we het volgende aan: maximaal 35 karakters per regel en gebruik maximaal 2 regels. Laat de tekst niet doorlopen als er een beeldwisseling plaats vindt.

10.Indien je foto's wil toevoegen aan je montage, is het belangrijk dat je deze in een landschapsformaat maakt. Anders ben je verplicht met gekleurde randen in je montage te werken. Indien je beelden te hard trillen (interlaced), dien je ze eerst door een fotobewerkingsprogramma te behandelen door er een de-interlace filter of blur filter op te zetten. Op je computerscherm zal je het flikkeren van deze beelden niet opmerken. Dit gebeurt pas als je je programma bekijkt op een Tv-scherm.

11. Een laatste advies: een eerste montageversie van het programma duurt meestal te lang. Beginnende videomakers hebben snel de neiging om veel te lange programma's te maken (denk maar aan al die oeverloos saaie reisvideo's van de buurman). Montage is de kunst van het weggooien: als een beeld - hoe mooi het ook is - niet functioneert in de sequentie, moet het eruit.